|

Alle diabetespatiënten letten op de
voedingsgluciden of suikers. Zij hebben soms problemen om het concept
te begrijpen. Wij proberen wat meer duidelijkheid te brengen.
Er zijn voedingsproducten die zoet proeven zoals
suiker, druiven, chocolade
en voedingsproducten die geen zoete
smaak hebben zoals melk, brood of aardappelen, maar die toch suikers
bevatten. Suikers (courante term) zjn gluciden of koolhydraten.
Zij bestaan uit een reeks producten die worden gevormd door koolstof,
waterstof en zuurstof. De moleculen die de gluciden (moderne term)
vertegenwoordigen, kunnen enkelvoudig zijn zoals glucose
(bloedsuiker), sacharose (bietsuiker), lactose (melksuiker)
of complex zoals zetmeel (aardappelen, brood). Jarenlang
geloofde men te goeder trouw dat als de glucidemolecule klein of
enkelvoudig was, zij ook snel werd verteerd en tot hyperglykemie
leidde en dat bij een complexe molecule het omgekeerde gebeurde
en dat zij dus een trage of geringe invloed op de glykemie had.
Dat heeft geleid tot de begrippen snelle en trage suikers.
Die benadering bleek dus fout te zijn,
wat werd aangetoond door betere onderzoekstechnieken. Tal van onderzoekers,
wier namen altijd verbonden zullen blijven aan de verklaring van
het zoetende vermogen van voedingsmiddelen, zijn nu bekend: Wahlquist
(1978), Jenkins (1981), Foster-Powel, Brand-Miller (1995). Hun werkzaamzaamheden
en die van anderen hebben aangetoond dat het koppelen van de glykemische
reactie aan de chemische inhoud van voedingsmiddelen verkeerd was,
maar dat moest worden gekeken naar de biologische respons
op basis van de consumptie van eenzelfde hoeveelheid gluciden, ongeacht
welke glucide.
Zo komen we bij het begrip glykemie-index (GI).
De GI drukt de snelheid en intensiteit uit waarmee een bepaald voedingsmiddel
de glykemie verhoogt. Op basis van de huidige kennis kan men de voedingsproducten indelen op basis van hun glykemisch vermogen.
Klik hier om meer te leren over de glykemie-index :
De
glykemie-index
|