|
 |

| We
kunnen er niet omheen, de Belgen zijn traditionele bierdrinkers.
Rond negentienhonderd waren er ongeveer drieduizend driehonderd
brouwerijen, waar op ambachtelijke wijze bijna uitsluitend bieren
van hoge gisting werden gebrouwen, volgens licht kruidige recepten
die rechtstreeks uit de Middeleeuwen stamden. Het Belgische
brouwersepos nam een belangrijke wending in het begin van de
20e eeuw. Nooit werd zoveel bier gedronken als toen: thuis,
in bistrots, cafés en de in trek zijnde nieuwe brasserieën
langs de zwierige boulevards van Brussel, Antwerpen en Luik. |
 |
Bier was ook de drank bij uitstek in een authentieke
nieuwigheid van eind 19e eeuw: het stationsbuffet. Het bierverbruik
groeide inderdaad mee met het Belgische spoorwegennet, dat in 1880
het dichtste ter wereld was. Tegelijk kende de bierreclame een sterke
ontwikkeling, met de geëmailleerde platen die de straten kleurden,
en de affiches. Op wedstrijden en landbouwbeurzen kreeg bier een
ruime plaats toebedeeld. Brouwers stonden te goeder naam en faam
bekend, getuige de beroemde Brusselse klucht Le Mariage de Mademoiselle
Beulemans. In 1894 en 1897 voerden de Internationale Tentoonstellingen
van Antwerpen en Parijs een vurige en patriottische promotiecampagne
voor de Belgische bieren. Paradoxaal genoeg waren die gloriedagen
ook de zwanenzang van een productie die erg ambachtelijk was gebleven
en weinig openstond voor nieuwigheden en technische innovaties.
De rest van de brouwerijwereld, vooral de Midden-Europese landen,
produceerde inmiddels industrieel bier van lage gisting, geïnspireerd
op de Boheemse pils, die snel veel aanhang won. Een dergelijke productie
vergde zware investeringen die de meeste Belgische brouwerijtjes
niet aankonden. Dat was het begin van de neergang. De anti-alcoholcampagnes,
de economische crisis van de jaren dertig en de opgang van modedranken
zoals limonade in de jaren vijftig, waren niet van aard om het tij
te keren. De toekomst zag er somber uit. Maar naast de grote brouwerijen,
die vanaf de jaren zestig zeer verdienstelijke Belgische lagerbieren
(*) brouwden, hielden gelukkig een aantal specialiteiten stand die
hoopvol stemden: bieren met nagisting op de fles zoals de trappisten,
lambiek en roodachtige, op vaten gerijpte bieren zoals Rodenbach,
de perfecte drank bij grijze Noordzeegarnalen. In de jaren tachtig
wonnen de originele bieren gelukkig weer aan aantrekkingskracht:
het assortiment verruimde, dankzij de slagvaardigheid van echte
enthousiastelingen, die vandaag een aanbod voorstellen dat zijn
gelijke niet heeft. Er is echt voor elk wat wils.
Glazen, pullen en consoorten
Bier
wordt gedronken, maar ook geproefd. De glaskeuze, de taptechniek
en de temperatuur zijn van doorslaggevend belang voor een proeverij
volgens de regels van de kunst. Vóór de 19e eeuw werd
gebruik gemaakt van bekers van metaal of van gres - naar het voorbeeld
van de bierkruiken zoals de baardmankruiken, die versierd waren
met een grotesk gezicht -, of zelfs van faience, want glas bleef
duur. Pas in de 19e eeuw raakte glas ingeburgerd, toen de glasfabrieken
goedkoop dikke, sterke, glazen bekers produceerden die geschikt
waren voor dagelijks gebruik. Als gevolg van de triomf van de lagerbieren
vond in die tijd in de Germaanse landen het pulvormige bierglas
ingang. Dit glas van een liter of een halve liter vestigde de faam
van de Biergartens en de Oktoberfeesten van München. De Engelsen
verkiezen traditioneel de pint: die leent zich perfect voor hun
bieren van hoge gisting, de ales, die deel uitmaken van de bijzondere
ambiance in de pubs. In België, waar de mensen volgens Brel
“le coeur bien au chaud et les yeux dans la bière”
hebben, omvat het aanbod zowel bieren van hoge als van lage gisting.
Er is keuze te over. Pils wordt geserveerd in een recht, lichtjes
trechtervormig glas, dat het schuim en het koolzuur het meest recht
doet. Trappist, abdijbier en speciale bieren vragen tulpvormige
glazen, opdat het aroma zich traag kan ontplooien. Geuze en lambiek
worden gedronken in glazen die lijken op champagneglazen, om de
aroma's optimaal te bewaren en de verdamping van CO2 te vertragen.
Het glas moet uiteraard proper zijn, zonder vetsporen (die funest
zijn voor het schuim). Men moet de glazen met helder water wassen
en laten drogen, wat overigens ook geldt voor wijnglazen. Een vaatwasmachine
is uit den boze: de sporen van detergent die ondanks het spoelen
zouden kunnen achterblijven, zouden het bier plat maken. De tapper
moet nauwkeurig en vlot tappen om het bier passend te doen schuimen
en een teveel aan bezinksel te vermijden. Een pilsglas moet vlak
vóór het tappen met helder water worden gespoeld,
zonder het te laten drogen. Glazen voor bier van hoge gisting daarentegen
moeten droog zijn en mogen vooraf niet worden gespoeld. Het tappen
dateert van eind 19e eeuw. Zo kon bier per glas worden geserveerd
in plaats van per fles van vijfenzeventig centiliter. In het laatste
geval verloor het bier zijn koolzuur als de klant genoegen nam met
één glas en degene die de fles uitdronk, hield slechts
paardenzeik over.
De temperatuur van het bier is een kwestie van
smaak die puristen en simpele amateurs verdeelt. Een al te koud
bier, zelfs een goede pils van de toog, heeft hoe dan ook geen verdienste,
want de aroma's worden gedood door de koude, en dat kan niet de
bedoeling zijn van een ordentelijke proeverij.
(*) lager : bier van lage gisting, type pils.
|